Paul Deschanellaan 267, 269, 271, 273
Nr. 267 tot 273. Appartementsgebouwen van vier of vijf bouwlagen en twee ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) (Nr. 267 tot 271) en herenhuis van drie bouwlagen (Nr. 273), gebouwd in 1926 (Nr. 269) en 1928.
Gevels in rode baksteen afgewisseld met witte banden en kordonlijstenUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels.. Gestapelde erkersRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. bekroond door een balkon met gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. leuningen (Nr. 267 en 271). Nr. 273 in baksteen en natuursteen, inrijpoort en smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… deur op begane grond. Over gehele eerste verdieping, lopende bow-windowErker (afk. Engels, van bow: buiging, en window: venster) die door haar gebogen vorm integrerend deel uitmaakt van de gevel en de achterliggende ruimte. met drie rondboogvensters en bekronend balkon.
AGSJ/DS/OW 10574, 10685, 10732 (1928).

