Poincarélaan
Hier zijn geen gebouwen weerhouden
Onderdeel van kleine ring, in verlengde van Hallepoortlaan, volgt tracé van tweede omwalling. Aangelegd samen met parallelle Zuidlaan volgens rooilijnenplan van 1871 n.o.v. Victor Besme. Schuin stuk dat haar oostelijk met Jamarlaan verbindt, aangelegd volgens rooilijnenplan van 27.12.1877. Vroeger Anderlechtlaan, maar na W.O. I herdoopt en sindsdien verwijzend naar staatsman Raymond Poincaré (1860–1934), president van Franse Republiek (1913–1920).
Slechts klein gedeelte op Sint-Gillis, met name deel tussen Jamarlaan en grote sluis die, tot haar omleiding buiten stadscentrum in 1955, debiet van Zenne regelde (zie Frankrijkstraat); in dit gedeelte slechts twee huizen in neoclassicistischeArchitectuurstroming (vanaf eind 18e eeuw tot ca. 1914) met voorliefde voor orde en symmetrie, gekenmerkt door bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels die het stadsbeeld uniformiseren. Verhoudingen en vormentaal van deze stroming evolueren met de tijd. stijl van 1870 (zie nr. 80-81-82) en groot gebouw van ca. 1925, maar verbouwd in 1934, 1970 en 1997 (zie nr. 78-79).
Niet geselecteerde nr.: 78-79: groot kantoorgebouw ter vervanging van meerdere huizen in neoclassicistischeArchitectuurstroming (vanaf eind 18e eeuw tot ca. 1914) met voorliefde voor orde en symmetrie, gekenmerkt door bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels die het stadsbeeld uniformiseren. Verhoudingen en vormentaal van deze stroming evolueren met de tijd. stijl van 1870. Deze huizen werden eerst opgekocht en herverkaveld door breigoedfirma Patria, om vervolgens door dezelfde firma ca. 1925 vervangen te worden door grote fabriek n.o.v. arch. Jean Van Hall. Fabriek i.o.v. Jeunesse Ouvrière Catholique en n.o.v. arch. Henri Julien De Ridder in 1934 verbouwd tot Centrale Jociste, jeugdhotel waar leerjongens en arbeiders uit de provincies goedkoop onderdak vonden.
Het gebouw had toen merkwaardige gevel in modernistischeInternationale stijl (vanaf ca. 1920) waarbij het functionele primeert op de vorm. Wordt gekenmerkt door een rationeel grondplan, eenvoudige geometrische vormen, platte daken en het gebruik van moderne materialen zoals gewapend beton. stijl met art deco-elementen en met vier bouwlagen en tien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder plat dak; geritmeerd door kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en grote muuropeningen met ijzeren raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd.; twee volumes van één bouwlaag bekroonden laterale traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); op die van rechts imposant arbeidersstandbeeld met gespreide benen en geheven armen. Grondig verbouwd en opnieuw bekleed in 1970 en in 1997 (arch. Jo Crepain); 80-81-82 en Jamarlaan nr. 1: voormalig ensemble van drie huizen met neoclassicistischeArchitectuurstroming (vanaf eind 18e eeuw tot ca. 1914) met voorliefde voor orde en symmetrie, gekenmerkt door bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels die het stadsbeeld uniformiseren. Verhoudingen en vormentaal van deze stroming evolueren met de tijd. inslag, 1876, hoekhuis geflankeerd door twee vergelijkbare huizen. Hoekhuis en huis in Poincarélaan in 1973 samengevoegd en verbouwd. Huidige benedenverdieping van 1989.
GASG/DS 78-79: 266 (1925), 156 (1928), 246 (1934), 5 (1970), – (1997); 80-81-82: 3283 (1876), 190 (1989).
78-79: KIK, E38548.
Publicaties en studies
78-79: DUBREUCQ, J., Bruxelles 1000, une histoire capitale. La section du Marché aux Grains + Anderlecht-Cureghem-Molenbeek-Sud, vol. 3, Bruxelles, 1997.
Tijdschriften
78-79: GILLES, P., “Auberges de jeunesse et hôtel de jeunesse”, Bâtir, 45, 1936, pp. 824-825.

