Zoom
Majoor René Dubreucqstraat (foto 2008).
Majoor René Dubreucqstraat
Rechtlijnige straat van de Waversesteenweg naar het Londenplein.
Deze verkeersader werd eerst rue des Champs [Veldstraat] en daarna rue de Vienne [Wenenstraat] genoemd. Ze werd na de Eerste Wereldoorlog genoemd naar majoor René Dubreucq. Deze vurige voorvechter van de koloniale onderneming, was secretaris van de Koloniale Unie (1852) en publiceerde in 1909 het boek À travers le Congo Belge (1909). Hij sneuvelde in 1914 aan het front.
De straat maakt deel uit van de straten die aangelegd werden bij de geleidelijke stedenbouwkundige ontwikkeling van de Faubourg de la porte de Namur [voorstad van de Naamsepoort] na de ontmanteling van de vesten van Brussel op het einde van de 18e eeuw. De terreinen waarop deze gebouwen stonden, werden genivelleerd en verkocht en voor het grootste deel opnieuw in gebruik genomen als landbouwgrond. De terreinen links van de Waversesteenweg bleven lang gespaard van verstedelijking. Met uitzondering van een villa en twee pachthoeven bevonden zich hier tot aan de afspanning La Rose Blanche alleen maar tuinen en zandgroeven.
De straat werd in de jaren 1830 aangelegd als verbinding tussen de oude Waversesteenweg en de zone van de Esplanade, een braakliggend terrein in de buurt van de Naamsepoort. Dit terrein werd als militair oefenterrein gebruikt, tot dit onmogelijk werd gemaakt door de aanleg van de nieuwe lanen, waarmee in 1829 werd begonnen. De Esplanade bleef lange tijd braakliggend terrein, tot het kort na 1850 door de stad Brussel werd geannexeerd (K.B. van 23.08.1851) en zijn stadsontwikkeling begon.
Het tracé van de Majoor René Dubreucqstraat herneemt deels de bedding van de oude Chemin de l'Argile [Kleistraat] die ter hoogte van de Chemin des Tulipes [Tulpweg] (zie Tulpstraat) aan de Waversesteenweg begon en daarna via de Chemin des Noyers [Notelaarsweg] doorliep naar Sint-Joost-ten-Noode (de Bouge, 1823; Vandermaelen, Ph., 1837).
De straat werd in de loop van de tweede helft van de 19e eeuw bebouwd met sobere huizen in neoclassicistischeArchitectuurstroming (vanaf eind 18e eeuw tot ca. 1914) met voorliefde voor orde en symmetrie, gekenmerkt door bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels die het stadsbeeld uniformiseren. Verhoudingen en vormentaal van deze stroming evolueren met de tijd. stijl, vaak met drie bouwlagen volgens verkleinende hoogte, en twee of drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) (zie nr. 23, 25); op het thans grondig verbouwde nr. 21 getuigen de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. in de tweede bouwlaag van invloeden van de empirestijl. De opeenvolging van sobere bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. gevels verleende de straat een grote architecturale eenheid, die echter intussen verloren ging door talrijke verbouwingen. Er zijn nog slechts enkele gebouwen waarvan de oorspronkelijke neoclassicistischeArchitectuurstroming (vanaf eind 18e eeuw tot ca. 1914) met voorliefde voor orde en symmetrie, gekenmerkt door bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels die het stadsbeeld uniformiseren. Verhoudingen en vormentaal van deze stroming evolueren met de tijd. gevel is bewaard gebleven. Vanaf het einde van de 19e eeuw, werden veel huizen met een verdieping verhoogd of werd de benedenverdieping ingericht als handelsruimte. Later werden veel gevels met brikettenBaksteenvormige tegel die op het reeds bestaande gevelvlak wordt aangebracht ter imitatie van een bakstenen gevel. bekleed. Andere werden dan weer verrijkt met elementen in neoclassicistischeArchitectuurstroming (vanaf eind 18e eeuw tot ca. 1914) met voorliefde voor orde en symmetrie, gekenmerkt door bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels die het stadsbeeld uniformiseren. Verhoudingen en vormentaal van deze stroming evolueren met de tijd. stijl, zoals bossageIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen). op de benedenverdieping, geprofileerde omlijstingen rond de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. of de toevoeging van een balkon enz. (nr. 28: huis in neoclassicistischeArchitectuurstroming (vanaf eind 18e eeuw tot ca. 1914) met voorliefde voor orde en symmetrie, gekenmerkt door bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels die het stadsbeeld uniformiseren. Verhoudingen en vormentaal van deze stroming evolueren met de tijd. stijl als geheel ontworpen met nr. 30, midden 19e eeuw, in 1887 werd de gevel verfraaid met bossageIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen). op de benedenverdieping en met een centraal balkon met metalen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.; nr. 25: in 1903 werden decoratieve elementen toegevoegd).
Het gebouw op nr. 35 maakt deel uit van het scholencomplex van het Athénée Charles Janssens, ontworpen door de architecten Constant Bosmans en Henri Vandeveld (1903; zie Londenplein nr. 5).
Vroeger bevonden zich hier enkele ateliers of opslagplaatsen in achterhuizen (het gebouw op nr. 12 gaf toegang tot een opslagplaats voor steenkool; beide gebouwen zijn in erg slechte staat (IVAI, 1980-82, 8, fiche 35); op nr. 25 was achteraan een weefatelier gevestigd (IVAI, 1980-82, 8, fiche 28).
Deze verkeersader werd eerst rue des Champs [Veldstraat] en daarna rue de Vienne [Wenenstraat] genoemd. Ze werd na de Eerste Wereldoorlog genoemd naar majoor René Dubreucq. Deze vurige voorvechter van de koloniale onderneming, was secretaris van de Koloniale Unie (1852) en publiceerde in 1909 het boek À travers le Congo Belge (1909). Hij sneuvelde in 1914 aan het front.
De straat maakt deel uit van de straten die aangelegd werden bij de geleidelijke stedenbouwkundige ontwikkeling van de Faubourg de la porte de Namur [voorstad van de Naamsepoort] na de ontmanteling van de vesten van Brussel op het einde van de 18e eeuw. De terreinen waarop deze gebouwen stonden, werden genivelleerd en verkocht en voor het grootste deel opnieuw in gebruik genomen als landbouwgrond. De terreinen links van de Waversesteenweg bleven lang gespaard van verstedelijking. Met uitzondering van een villa en twee pachthoeven bevonden zich hier tot aan de afspanning La Rose Blanche alleen maar tuinen en zandgroeven.
De straat werd in de jaren 1830 aangelegd als verbinding tussen de oude Waversesteenweg en de zone van de Esplanade, een braakliggend terrein in de buurt van de Naamsepoort. Dit terrein werd als militair oefenterrein gebruikt, tot dit onmogelijk werd gemaakt door de aanleg van de nieuwe lanen, waarmee in 1829 werd begonnen. De Esplanade bleef lange tijd braakliggend terrein, tot het kort na 1850 door de stad Brussel werd geannexeerd (K.B. van 23.08.1851) en zijn stadsontwikkeling begon.
Het tracé van de Majoor René Dubreucqstraat herneemt deels de bedding van de oude Chemin de l'Argile [Kleistraat] die ter hoogte van de Chemin des Tulipes [Tulpweg] (zie Tulpstraat) aan de Waversesteenweg begon en daarna via de Chemin des Noyers [Notelaarsweg] doorliep naar Sint-Joost-ten-Noode (de Bouge, 1823; Vandermaelen, Ph., 1837).
De straat werd in de loop van de tweede helft van de 19e eeuw bebouwd met sobere huizen in neoclassicistischeArchitectuurstroming (vanaf eind 18e eeuw tot ca. 1914) met voorliefde voor orde en symmetrie, gekenmerkt door bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels die het stadsbeeld uniformiseren. Verhoudingen en vormentaal van deze stroming evolueren met de tijd. stijl, vaak met drie bouwlagen volgens verkleinende hoogte, en twee of drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) (zie nr. 23, 25); op het thans grondig verbouwde nr. 21 getuigen de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. in de tweede bouwlaag van invloeden van de empirestijl. De opeenvolging van sobere bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. gevels verleende de straat een grote architecturale eenheid, die echter intussen verloren ging door talrijke verbouwingen. Er zijn nog slechts enkele gebouwen waarvan de oorspronkelijke neoclassicistischeArchitectuurstroming (vanaf eind 18e eeuw tot ca. 1914) met voorliefde voor orde en symmetrie, gekenmerkt door bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels die het stadsbeeld uniformiseren. Verhoudingen en vormentaal van deze stroming evolueren met de tijd. gevel is bewaard gebleven. Vanaf het einde van de 19e eeuw, werden veel huizen met een verdieping verhoogd of werd de benedenverdieping ingericht als handelsruimte. Later werden veel gevels met brikettenBaksteenvormige tegel die op het reeds bestaande gevelvlak wordt aangebracht ter imitatie van een bakstenen gevel. bekleed. Andere werden dan weer verrijkt met elementen in neoclassicistischeArchitectuurstroming (vanaf eind 18e eeuw tot ca. 1914) met voorliefde voor orde en symmetrie, gekenmerkt door bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels die het stadsbeeld uniformiseren. Verhoudingen en vormentaal van deze stroming evolueren met de tijd. stijl, zoals bossageIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen). op de benedenverdieping, geprofileerde omlijstingen rond de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. of de toevoeging van een balkon enz. (nr. 28: huis in neoclassicistischeArchitectuurstroming (vanaf eind 18e eeuw tot ca. 1914) met voorliefde voor orde en symmetrie, gekenmerkt door bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels die het stadsbeeld uniformiseren. Verhoudingen en vormentaal van deze stroming evolueren met de tijd. stijl als geheel ontworpen met nr. 30, midden 19e eeuw, in 1887 werd de gevel verfraaid met bossageIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen). op de benedenverdieping en met een centraal balkon met metalen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.; nr. 25: in 1903 werden decoratieve elementen toegevoegd).
Het gebouw op nr. 35 maakt deel uit van het scholencomplex van het Athénée Charles Janssens, ontworpen door de architecten Constant Bosmans en Henri Vandeveld (1903; zie Londenplein nr. 5).
Vroeger bevonden zich hier enkele ateliers of opslagplaatsen in achterhuizen (het gebouw op nr. 12 gaf toegang tot een opslagplaats voor steenkool; beide gebouwen zijn in erg slechte staat (IVAI, 1980-82, 8, fiche 35); op nr. 25 was achteraan een weefatelier gevestigd (IVAI, 1980-82, 8, fiche 28).
Archieven
GAE/OW Historique des rues (1925).
GAE/DS 23: 220-23; 25: 220-25; 30: 220-30.
Nr. 12: CULOT, M. (dir.), Ixelles. Inventaire visuel de l'architecture industrielle à Bruxelles, AAM, Brussel, 1980-1982, fiche nr. 35.
Nr. 25: CULOT, M. (dir.), Ixelles. Inventaire visuel de l'architecture industrielle à Bruxelles, AAM, Brussel, 1980-1982, fiche nr. 28.
Nr. 35: zie Londenplein nr. 5.
Publicaties en studies
Gonthier, A., Histoire d'Ixelles, Le Folklore Brabançon éd., Impr. De Smedt, Brussel, 1960, pp. 138-147.
Le Roy, P., Monographie de la commune d'Ixelles, Imprimerie Générale, Brussel, 1885, pp. 201-203.
Tijdschriften
Hainaut, M., ‘Une rue d'Ixelles porte leur nom, 1ère partie de A à G', Mémoire d'Ixelles, 28, 1987, p. 39.
‘Répertoire des voies publiques d'Ixelles en 1991', Mémoire d'Ixelles, 46-47, 1992, p. 43.
Inventaire visuel de l'architecture industrielle à Bruxelles. Ixelles, AAM, Brussel, 1980-82, 8, fiches nr. 28 en nr. 35.
Kaarten / plannen
de Bouge, Plan topographique de la Ville de Bruxelles et de ses faubourgs, publié pour 1823, Brussel, 1823.
Vandermaelen, Ph., Atlas cadastrale du Royaume de Belgique–Province du Brabant. Plan parcellaire de la commune d'Ixelles 1836, Brussel, 1837.
GAE/OW Historique des rues (1925).
GAE/DS 23: 220-23; 25: 220-25; 30: 220-30.
Nr. 12: CULOT, M. (dir.), Ixelles. Inventaire visuel de l'architecture industrielle à Bruxelles, AAM, Brussel, 1980-1982, fiche nr. 35.
Nr. 25: CULOT, M. (dir.), Ixelles. Inventaire visuel de l'architecture industrielle à Bruxelles, AAM, Brussel, 1980-1982, fiche nr. 28.
Nr. 35: zie Londenplein nr. 5.
Publicaties en studies
Gonthier, A., Histoire d'Ixelles, Le Folklore Brabançon éd., Impr. De Smedt, Brussel, 1960, pp. 138-147.
Le Roy, P., Monographie de la commune d'Ixelles, Imprimerie Générale, Brussel, 1885, pp. 201-203.
Tijdschriften
Hainaut, M., ‘Une rue d'Ixelles porte leur nom, 1ère partie de A à G', Mémoire d'Ixelles, 28, 1987, p. 39.
‘Répertoire des voies publiques d'Ixelles en 1991', Mémoire d'Ixelles, 46-47, 1992, p. 43.
Inventaire visuel de l'architecture industrielle à Bruxelles. Ixelles, AAM, Brussel, 1980-82, 8, fiches nr. 28 en nr. 35.
Kaarten / plannen
de Bouge, Plan topographique de la Ville de Bruxelles et de ses faubourgs, publié pour 1823, Brussel, 1823.
Vandermaelen, Ph., Atlas cadastrale du Royaume de Belgique–Province du Brabant. Plan parcellaire de la commune d'Ixelles 1836, Brussel, 1837.
Afkortingen | Onderzoek en redactie : 2007-2009.


























